ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Gnostiek

Het woord gnostiek komt van het Griekse woord gnosis, dat kennis of inzicht betekent.

De gnostici waren van mening dat zich achter de zichtbare wereld de eigenlijke, de geestelijke en onzichtbare wereld bevond.

De antieke gnostiek werd gekenmerkt door een consequent negatieve wereldbeschouwing. De gnostici zagen in onze wereld zoveel rampen en zoveel ellende dat zij tot de conclusie kwamen dat deze wereld geen schepping kan zijn van de ware God.

In tal van gnostische geschriften komen we daarom ook een heel negatieve kijk tegen op het huwelijk en de seksualiteit.  Op grond daarvan  menen sommige geleerden dat er in wezen helemaal geen verband is tussen het nieuwe-tijdsdenken en de antieke gnostiek.

Toch kunnen we constateren dat de huidige nieuwe-tijdsdenkers een oeverloze belangstelling hebben voor de gnostiek en dat in de moderne gnostiekallerlei elementen terugkeren die ook in de antieke gnostiek aanwezig waren.

 

God geen persoonlijk God 

Ik noem hier enkele kenmerken: God is geen persoonlijk God, maar een oerprincipe, een goddelijke kracht.

De grens tussen Schepper en schepsel valt weg.

De mens is in wezen God.

In ieder mens schuilt immers een goddelijke gloeikern. Men wil helemaal niets meer weten van een God die buiten de mens staat en de mens regels geeft. God woont in ieder mens. Hij is de grootste energie en het hoogste licht.

Alle bronnen van wijsheid en inzicht hoeven we niet meer buiten ons zelf of ver weg te zoeken, maar zijn in ons zelf bereikbaar.

Het heil is immers binnen handbereik. We beschikken erover.

De nieuwe religie is aantrekkelijk omdat het de onmiddellijke tegenwoordigheid van het heil poneert. Je moet er wel wat voor doen. Je moet wel enig inzicht krijgen, je moet je wel bewust worden van de goddelijke krachten, die diep in je zelf zijn verborgen.

Natuurlijk willen de goeroes van het hedendaagse heil en geluk wel helpen via allerlei sessies en instructies over bewustwordings-processen.

Zo kun je tot het ware inzicht komen. Zo kun je de juist kennis(gnosis) ontvangen.

 

Geen verlossing, maar verlichting

Het is opvallend dat men in de nieuwe religie niet spreekt van verlossing, maar van verlichting. Door die verlichting kom je te weten welke ongelooflijke krachten diep in je eigen hart schuilen.

De moderne gnosticus zegt dan ook niet: Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven ,maar Welzalig hij, wiens onwetendheid is opgeheven. Zo alleen kan hij zich zelf verwerkelijken. In de moderne religie gaat het om zelfverlossing. 

Irrationele kennis

De gnostici gingen niet uit van rationele kennis, maar van irrationele kennis, “kennisse van het hart”.

Zij beriepen zich voor hun inzichten op een verlichting, op een innerlijk weten.

Die kennis was geen rationele, verstandelijke kennis, maar een kennis van het hart. Deze was geheim, verborgen, niet met “gewone” zintuigen te verwerven.

Die kennis (gnosis) ging veel dieper dan het geloof. In die kennis ging het namelijk om een directe kennis van de goddelijke werkelijkheid.

De gewone gelovigen moesten die kennis altijd uit tweede hand hebben.

Zij hadden immers het geloof slechts “van-horen-zeggen”!

De gewone gelovigen waren afhankelijk van wat de bijbelschrijvers hun vertelden.

De gnostici hadden echter het ware inzicht uit éérste hand.

Zij beriepen zich erop dat zij door een innerlijk weten een hogere kennis van de goddelijke werkelijkheid bezaten dan de doorsneegelovigen.

Zij vormden op die manier een geestelijke elite. Om tot de kringen van de gnostici toegelaten te worden, moest je ingeleid en ingewijd worden. Zij beschouwden zich als de geestelijke fijnproevers in de godsdienstige wereld.

De gnosticus beleed: ik ben God in het diepst van mijn gedachten. Ik maak deel uit van God.

De grens tussen God en mens viel weg. Het goddelijke lag volgens hen op de bodem van het menselijk hart, weliswaar als onontdekt land, maar het lag er als een verloren gewaand paradijs.

Om dát te ontdekken, om dáár kennis van te krijgen, moest je verlicht worden. Daarvoor had je iemand als voorlichter nodig, iemand die reeds tot inzicht was gekomen.

Een Indische spreuk zegt God werkt in de steen, ademt in de planten, droomt in het dier en wordt wakker in de mens. God is in alle dingen als de Levende actief.

De gnostiek beschouwt de kerk als een theologische douane die de grens bewaakt tussen Schepper en schepsel. De gnostiek wil zich niet houden aan ‘het smalspoor van de God van Israël’ Dat zou te benauwend zijn.

De gnostische leer dient zich aan als een religieuze legitimering van het zelfontplooiingideaal. De harde kern  hiervan is we moeten kennis krijgen van ons Hogere Zelf. Op de bodem van onze ziel ligt het paradijs al klaar.

De psycholoog Carl Gustav Jung beschouwde het menselijke Zelf als de gehele metafysische(bovennatuurlijke) werkelijkheid.


Inhoudskopierechten worden uitgegeven